Hoewel werkgever en werknemer dikwijls zonder inmenging van advocaten zonder problemen over de inhoud, strekking en bedoeling een vaststellingsovereenkomst ter zake van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst sluiten, gaat dit ook weleens mis.

Zo ook in een procedure begin juni van dit jaar bij de kantonrechter te Dordrecht. In deze zaak was aan de orde de vraag of een werkgever aan zijn voormalig werknemer op grond van een tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst een beëindigingsvergoeding was verschuldigd.

De werkgever was van mening dat zij die beëindigingsvergoeding niet aan de werknemer verschuldigd was, omdat de beëindigingsvergoeding de doorbetaling van het salaris tot en met 31 december 2011 was. De werknemer was de tegenovergestelde mening toegedaan. Na hierover eerst onderling te hebben gesteggeld, heeft werknemer de kwestie uiteindelijk aan de kantonrechter ter beoordeling neergelegd.

De kantonrechter oordeelde in deze zaak – kort gezegd – dat hoewel beide partijen een andere uitleg geven aan de beeindigingsovereenkomst, uit de inhoud van die overeenkomst niets anders kan worden afgeleid dan dat er een beëindigingsvergoeding aan de werknemer zou worden betaald. Van een andere bedoeling van partijen kan, aldus de kantonrechter, niet worden uitgegaan nu de inhoud van de overeenkomst helder is.

Werkgevers let dus goed op bij het formuleren en op papier zetten van de afspraken met de werknemer over het einde van de arbeidsovereenkomst in een beëindigingsovereenkomst. Het kan u duur komen te staan.

In het navolgende zal ik het vonnis van de kantonrechter Dordrecht van 20 juni 2012 bespreken.

Feiten en omstandigheden

Werknemer is op 13 juli 2009 bij werkgever in de functie van Account Manager Truckparq in dienst getreden.

Wanneer werkgever begin november 2011 bij werknemer kenbaar maakt de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen, omdat er geen werkzaamheden meer voor hem voorhanden zijn, bereiken partijen op 17 november 2011 overeenstemming over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2012.

In de beeindigingsovereenkomst is onder andere het volgende opgenomen:

4.2 De werkgever betaalt de werknemer een beëindigingsvergoeding van 1,5 maandsalaris bruto. Hij maakt het netto-equivalent van dit bedrag (…) uiterlijk 31 december 2011 over aan de werknemer.

Werknemer wordt in de periode van 18 november 2011 – 31 december 2011 vrijgesteld en ontvangt op 22 december 2011 zijn laatste salarisbetaling.

Omdat werknemer op 31 december 2011 de beëindigingsvergoeding niet heeft ontvangen en de verzoeken begin januari 2012 aan werkgever om tot betaling over te gaan niet tot betaling leidt, vordert werknemer bij de kantonrechter nakoming van de beëindigingsovereenkomst.

Vordering

Werknemer vordert – kort gezegd – dat werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.158,71 bruto vermeerderd met wettelijke rente, veroordeling van werkgever in de buitengerechtelijke kosten en kosten van de procedure.

Werkgever voer als verweer dat de beëindigings vergoeding bestond uit doorbetaling van het salaris tot en met 31 december 2011, hetgeen conform de inhoud van de beëindigingsovereenkomst zou zijn.

Beoordeling

De vraag is of werkgever de door de werknemer gevorderde beëindigings vergoeding verschuldigd is.

De kantonrechter stelt dat beide partijen een andere uitleg geven aan hetgeen over de beëindigings vergoeding in de beëindigingsovereenkomst is vermeld. Echter, uit de beëindigingsovereenkomst kan niets anders worden afgeleid dan dat er een beëindigings vergoeding zou worden betaald. De kantonrechter oordeelt hieromtrent dat in de overeenkomst immers is vermeld dat de werkgever een beëindigings vergoeding van 1,5 maand aan werknemer betaalt én dat de werknemer vrijgesteld is van werk alsmede dat het loon van de werknemer tot het einde van het dienstverband wordt uitbetaald.

De kantonrechter oordeelt dat van een andere bedoeling van partijen niet kan worden uitgegaan, nu de overeenkomst helder is. Werkgever heeft ook geen andere stukken overgelegd, waaruit de bedoeling van werkgever zou blijken.

De kantonrechter oordeelt dan ook dat voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat werkgever de beëindigings vergoeding aan werknemer verschuldigd is en wijst de vordering van werknemer toe.