Het lijkt erop dat zo tegen de zomer aan de vakantiedagen altijd een ‘hot topic’ zijn. Zo schreven wij op deze pagina al eerder over de in 2012 gewijzigde vakantiewetgeving, de gevolgen daarvan en de jurisprudentie die daarop is gevolgd. En zo bezien ook allemaal in de lente met de zomervakantie in aantocht…

In het hoofdstuk vakantiedagen heeft het Europese Hof van Justitie onlangs weer een interessante uitspraak gedaan. Namelijk dat de nabestaanden van een overleden werknemer recht hebben op uitbetaling van de nog openstaande verlofdagen. Het Hof heeft dit bepaald in de zaak van een weduwe van een Duitse werknemer.

Inleiding en achtergrond

De zaak is als volgt. Een werknemer was vanaf 1 augustus 1998 tot en met 19 november 2010, de datum van zijn overlijden, in dienst bij zijn werkgever. In 2009 werd de werknemer ernstig ziek waardoor hij dat jaar acht maanden arbeidsongeschikt was. In 2010 werd hij opnieuw arbeidsongeschikt, nu vanaf 11 oktober 2010 tot aan zijn overlijden op 19 november 2010. Op het moment van overlijden had de werknemer nog recht op minimaal 140,5 dagen aan opgebouwde, maar niet-genotenvakantiedagen.

De weduwe van deze werknemer vorderde in januari 2011 een financiële vergoeding voor deze vakantiedagen. Deze vordering werd door de werkgever afgewezen. De werkgever betwijfelde namelijk of hier sprake was van een erfelijk recht.

Daarop stelde het Landesarbeitsgericht Hamm prejudiciële vragen aan het Hof over de uitleg van artikel 7 van richtlijn 2003/88. De Duitse rechter wilde namelijk weten of die richtlijn in de weg staat aan nationale wetten of gebruiken, volgens welke het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon vervalt zonder dat een recht ontstaat op een financiële vergoeding voor niet-genoten vakantie, in geval van beëindiging van de arbeidsverhouding door het overlijden.

Oordeel Hof 

Het Hof herinnert eraan dat volgens zijn vaste jurisprudentie het recht van elke werknemer op jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie. Artikel 7 lid 2 van Richtlijn 2003/88 bepaalt dat de werknemer, wanneer de arbeidsverhouding is geëindigd en het daadwerkelijk opnemen van jaarlijkse vakantie met behoud van loon derhalve niet langer mogelijk is, recht heeft op een vergoeding.

Het Hof oordeelt dat als de verplichting tot betaling van het loon voor jaarlijkse vakantie ophoud te bestaan bij beëindiging van de arbeidsverhouding door overlijden van de werknemer, dit tot gevolg zou hebben dat een toevallige omstandigheid, waarover noch de werknemer noch de werkgever controle heeft, leidt tot het totale verlies met terugwerkende kracht van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Richtlijn 2003/88 kan aldus het Hof niet zo worden uitgelegd dat dit recht vervalt door het overlijden van de werknemer. Ook stelt het Hof dat dit recht op een vergoeding voor de niet-genoten vakantiedagen niet afhankelijk kan worden gesteld van een voorafgaand verzoek van de betrokkene.

In Nederland is deze kwestie al eerder aan de orde geweest. Over de lijn genomen kan worden geconcludeerd dat dit soort vorderingen slagen. Voor zover bekend, werd slechts eenmaal geoordeeld dat het recht kan overgaan op de erfgenamen (Ktr. Assen JAR 2010/25).

Deze zaak brengt in dat opzicht duidelijkheid; namelijk dat het recht op uitkering van opgebouwde, maar niet-genoten vakantiedagen niet komen te vervallen bij het overlijden van de werknemer en de erfgenamen op uitkering van die rechten een gerechtvaardigd beroep kunnen doen.