In deze blog berichtte ik al eerder dat de vakantiedagenwetgeving met ingang van 1 januari 2012 ingrijpend is gewijzigd, enerzijds voor wat betreft het verval van vakantiedagen en anderzijds de opbouw van vakantiedagen. Voor wat betreft het laatste en voor dit artikel relevant geldt – kort gezegd – dat het onderscheid tussen de opbouw van vakantiedagen door zieke en niet zieke werknemers met ingang van 1 januari 2012 is komen te vervallen.

Deze wetswijziging heeft onlangs tot interessante uitspraken geleid bij de kantonrechter te Den Haag. In 3 verschillende zaken (LJN: BV7318BV7201BV7212) aanhangig gemaakt door werknemers tegen de Nederlandse staat, is de Nederlandse staat aansprakelijk gehouden voor de schade die werknemers hebben geleden als gevolg van de in het verleden van toepassing zijnde vakantiedagenwetgeving.

Zal dit leiden tot talloze schadeclaims van (voormalig) langdurig zieke werknemers?

Achtergrond

Voordat ik op uitspraken van de kantonrechter inga, zal ik eerst kort de achtergrond schetsen.

Het arrest Schultz-Hoff uit 2009 is voor de Nederlandse wetgever de aanleiding geweest om de vakantiedagenwetgeving te wijzigen. In dit arrest heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat uit de Europese Arbeidstijdenrichtlijn volgt dat werknemers, ongeacht hun gezondheidstoestand, recht hebben op tenminste vier weken vakantie per jaar.

De Nederlandse wetgeving is nu weliswaar in lijn gebracht met de Europese Arbeidstijdenrichtlijn, maar dit neemt niet weg dat menig zieke werknemer in de periode tot 1 januari 2012 ten gevolge van deze toen geldende regelgeving is benadeeld. Het ziet er naar uit dat de benadeling het grootst is bij werknemers die 2 jaar arbeidsongeschikt zijn geweest en vervolgens de arbeidsovereenkomst is beëindigd.

Een dergelijke werknemer had namelijk tot 1 januari 2012 slechts vakantiedagen over de laatste 26 weken opgebouwd in plaats van de volle 104 weken. Bij een fulltime dienstverband leidt dit tot een benadeling van 30 (!) wettelijke vakantiedagen, hetgeen grofweg neerkomt op 1,5 bruto maandsalaris bij de eindafrekening.

Kern van de uitspraken

De feiten van de 3 uitspraken, namelijk dat de werknemers alle 3 te weinig vakantiedagen uitbetaald hebben gekregen bij einde dienstverband vanwege de oude vakantiedagenwetgeving, zijn soortgelijk.

In alle 3 de zaken stellen de werknemers dat de Nederlandse staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door de richtlijn niet binnen de daarvoor gestelde termijn te implementeren, waardoor zij schade hebben geleden.

De Nederlandse staat voert – kort gezegd – 3 argumenten aan op grond waarvan hij geen schadevergoeding zou hoeven te betalen.

1 – Nederlandse Staat niet eerder op de hoogte (?)

Het 1e argument komt erop neer dat de Nederlandse staat pas sinds het eerdergenoemde Schultz-Hoff arrest kon weten dat de Nederlandse wetgeving in strijd was met de Arbeidstijdenrichtlijn. De kantonrechter oordeelt terecht dat dit verweer niet opgaat, omdat de Nederlandse staat dit reeds sinds het zogenoemde Bectu arrest uit 2001 had kunnen weten.

Hoewel dit Bectu arrest niet specifiek ging over de beperking van opbouw van vakantiedagen bij arbeidsongeschikte werknemers, heeft het Europese Hof van Justitie toen al geoordeeld dat iedere werknemer aanspraak maakt op vier weken vakantie per jaar. De wetgever heeft naar aanleiding van dit arrest evenwel geen actie ondernomen.

2 – Geen aanspraak vanwege korte vervaltermijn

Als 2e argument voert de Nederlandse staat aan dat de werknemers geen recht meer zouden hebben gehad op uitbetaling van de vakantiedagen, omdat sinds 1 januari 2012 een vervaltermijn van 6 maanden geldt. Ook dit argument verwerpt de kantonrechter, omdat geenszins vast staat dat de Nederlandse staat de vervaltermijn van 6 maanden in de wet had opgenomen, ingeval de richtlijn destijds wel meteen goed was geïmplementeerd.

3 – Werknemer had werkgever moeten aanspreken

Tenslotte stelt de Nederlandse staat als 3e argument dat de werknemer de werkgever hadden moeten aanspreken. Ook dit argument wordt door de kantonrechter verworpen.

Ten eerste omdat het Hof Amsterdam op 10 november 2009 heeft geoordeeld dat een werknemer jegens zijn (ex)werkgever geen rechtstreeks beroep op een Europese richtlijn toekomt, omdat richtlijnconforme toepassing door de rechter zou resulteren in een uitleg in strijd met de wet. De Hoge Raad, de hoogste rechtsinstantie van Nederland, heeft zich hier echter nog niet over uitgelaten. Hiertoe is de nationale rechter volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie niet  gehouden. Het is aan de wetgever (!) om de nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met Europese richtlijnen.

Daarnaast omdat de Nederlandse staat in de toelichting op de nieuwe wetgeving nota bene zelf (!) heeft aangegeven dat de oude vakantiedagenwetgeving aan toepassing van de Arbeidstijdenrichtlijn in de weg stond.

Tot slot merkt de kantonrechter op dat het vreemd zou zijn om werknemers hun werkgevers te laten spreken, ervan uitgaande dat werkgevers ervan uit hebben mogen gaan dat zij conform de Nederlandse wetgeving hebben gehandeld.

Conclusie

Hoewel de Nederlandse staat in de 3 procedures (slechts) werd veroordeeld om ongeveer 1,5 maandsalaris bruto aan de werknemer te vergoeden, kunnen voornoemde uitspraken leiden tot talloze claims van werknemers, die door onjuiste implementatie van de richtlijn door de Nederlandse staat schade hebben geleden.

Daarbij moet niet alleen rekening gehouden worden met de werknemers die na 2 jaar ziekte via het UWV WERKbedrijf zijn ontslagen, maar tevens met de arbeidsovereenkomst die zijn geëindigd middels een tussen werkgever en werknemer gesloten beëindigingsovereenkomst.

Inmiddels heeft de Nederlandse staat, bij monde van de (inmiddels demissionair) minister van Sociale Zaken, Henk Kamp, laten weten tegen de uitspraken van de kantonrechter in hoger beroep te zullen gaan. Middels deze blog houden wij u over de uitkomst daarvan op de hoogte.

Wordt vervolgd!